4341
[12/10/2015]
Rudolf Steiner beschrijft in de heilpedagogische cursus* dat mensen die willen omgaan met kinderen die psychische zorg nodig hebben, zich een bepaalde waarnemingscultuur eigen moeten maken. Zij moeten leren de kinderen met wie zij werken zonder vooroordeel te observeren en zij moeten in hun observatie oog voor detail ontwikkelen. Dit oog voor detail in de observatie van het kind wijst ons de weg om op een juiste wijze met de problemen van het kind om te gaan.

Ik ontleen nu iets aan wat Rudolf Steiner voor heilpedagogische doeleinden heeft bedacht, ten behoeve van zogenaamde normale relaties. Want het is een verschijnsel van onze tijd dat de grenzen tussen heilpedagogie en de gewone pedagogie vervagen. Steeds meer kinderen vragen om een heel bijzondere opmerkzaamheid en benadering.

Vanuit deze vingerwijzing kan men een oefening ontwikkelen: voordat men zich als ouders een of andere theorie over de oorzaken van merkwaardig gedrag van een kind eigen maakt of laat aanpraten, moet men zich tot taak stellen zijn kind iedere dag een bepaalde tijd – en dat hoeft maar tien minuten te zijn – zorgvuldig gade te slaan. Men stelt zich op in de nabijheid van het kind en neemt het gedrag en de uiterlijke verschijningsvorm van het kind waar met alle opmerkzaamheid die men kan opbrengen.

De kern van deze oefening is dat men zich tijdens de periode van waarnemen onthoudt van iedere conclusie, ieder oordeel, en zo mogelijk ook van elke irritatie. De vraag is ook niet of men gelukkig is met wat het kind doet, maar de vraag is eenvoudigweg wat het kind zoal doet en hoe dat eruit ziet. Hoe beweegt het zich? Hoe loopt het? Hoe pakt het dingen? Hoe is de haargrens? Hoe zijn de gezichtsproporties? Heeft het twee gelijke of verschillende oren? Hoe zien de vingers er precies uit?

Uit deze waarnemingen moet men geen enkele conclusie trekken, niet tijdens de observatie en ook niet erna. Men moet alleen maar observeren en zich de observaties goed inprenten. Als het iemand te zwaar wordt, kan hij zich ook iedere dag tot een deel beperken. Eén dag let men op de manier van lopen, de volgende dag op de mimiek, dan op de proporties van de ledematen en de verhouding ervan tot de romp, enzovoort.

De oefening heeft nog een tweede deel. Voordat men ’s avonds naar bed gaat haalt men wat men bij het kind heeft geobserveerd weer voor de geest. Het doel is om geleidelijk aan een levend innerlijk beeld van een kind te krijgen. Men oefent zich erin zich het kind zo intensief voor de geest te halen alsof het werkelijk voor je staat.

Dat is niet gemakkelijk en zal in het begin bijna niet lukken.

Dat is waar maar dat geeft niets. Bij deze oefening accepteert men deze onvolkomenheid, men houdt zich vijf minuten bezig met deze voorstelling en neemt hem dan voor wat hij is. Daarna is het goed, en men zet hem weer van zich af. Twijfelen vanwege de onvolkomenheid van het voorstellingsbeeld van het kind, is fundamenteel verkeerd. Het komt aan op het aandacht geven, niet zozeer op een perfect resultaat.

Voor men de oefening ’s avonds afsluit, voegt men er nog een verzoek om hulp aan toe. Men bidt om raad en bijstand in de omgang met het kind. Deze bede is natuurlijk gericht op het gebied, waar men niet bij kan tijdens het gewone dagelijks bewustzijn en dus moet men die meenemen in de slaap.

Dit is een fragment uit:
Ruimte voor kinderen
Henning Köhler (geïnterviewd door Thomas Höfer)
paperback, € 12,50
Klik hier voor meer informatie