voorplat_steiner1Opeens staan de media bol van het belang van spelen voor het kind.  Is nu wetenschappelijk aangetoond namelijk.  In wat Rudolf Steiner noemde ‘de antroposofisch georiënteerde geesteswetenschap’ was een en ander al bekend – en zelfs in een veel diepere dimensie.
Hij vertelde er onder meer over in een voordracht die hij in 1921 in Den Haag (!) hield. Deze voordracht is opgenomen in Antroposofie en het praktische leven (een titel die meer ‘waar’ dan ‘aantrekkelijk’ is).

Het spel

We kunnen het spel van het kind eens nader beschouwen. Wie het spelende kind onbevangen en in verbondenheid met de aard van het opgroeiende mensenwezen kan waarnemen, zal weten dat, hoewel spelen typisch zijn, ieder kind toch op een heel individuele manier speelt. Wie opvoeder of pedagoog is, kan het spel van het kind in een bepaalde zin leiden of sturen, vanuit de natuur van het kind. Men kan ook proberen, al naar gelang men daar de capaciteiten voor heeft, het spel in een zinvolle richting te leiden. Wanneer men met dit alles rekening houdt, zal men de kinderen heel precies kunnen onderscheiden in kinderen die zo en zo spelen, kinderen die anders spelen, enzovoort. Maar dan komt op een gegeven moment de leeftijd waarop de bijzondere manier van het kind, die zich in het spel uitdrukt, niet meer zo goed zichtbaar is.

Het kind gaat naar school en wordt vervuld door andere dingen. Wat dan eigenlijk de gevolgen zijn van de individuele manier van spelen, dat is nu veel moeilijker op te merken. Degene die echter niet oppervlakkig kijkt, maar die weet dat het leven een eenheid is en die dus het mensenleven in zijn geheel waarneemt, valt op dat zo rond het 24e, 25e jaar – in de tijd waarin de mens zijn aansluiting met de wereld moet vinden, waarin hij zich in de wereld invoegt – naar voren komt dat de ene mens meer geschikt is voor de praktijk van het leven dan de ander, dat de ander minder geschikt is, dat de één een dromer wordt die niets praktisch op een goede manier weet aan te pakken en dat de ander alles wat zich voordoet bekwaam weet te behandelen. De manier waarop de mens zich in deze leeftijd in het leven weet te redden is een direct gevolg van de spelende activiteit van het kind. Er zijn waterstromen die uit hun bron opwellen, vervolgens onder de aardoppervlakte verdwijnen en later op een andere plek weer aan de oppervlakte verschijnen.

Zo is het ook met de vaardigheden in het leven van de mens. De vaardigheid die bij het kind in het bijzonder in het spel tevoorschijn komt, werkt in de eerste kinderjaren, verdwijnt daarna in het innerlijk van de ziel en komt dan, wanneer de mens tussen de 20 en 30 jaar is, weer aan de oppervlakte in de manier waarop de mens zich in het leven kan vinden. Denkt u er eens over na dat de manier waarop wij het spel van het kind opvoedkundig leiden, een ingreep betekent in het geluk of ongeluk, in het lot van de mens in de leeftijd van 20 tot 30 jaar.”

Voordracht in De Haag, 27 februari 1921
(in: Antroposofie en het praktische leven, Nearchus CV 2015)